Judas Iskariot (Matheus 27:1-10)

Steunende handen
onder zijn hoofd
ogen die branden
verward en verdooft

Verbeten mond
heeft Hem gekust
voelt nu geen grond
en ook geen rust

Dienend het beest
schijnheilig geweest
en vastberaden
de Liefde verraden

Schuldig branden
dertig in getal
in zijn handen
’t werd zijn val

Berouw gekomen
’t zilver gegooid
zijn leven ontnomen
arm en berooid

‘k Zal hem niet verraden
altijd met Hem gaan
zijn Naam niet schaden
stil…luister….
’t gekraai van de haan.

 

 

Robert Doek

 

427px-Almeida_Júnior_-_Remorso_de_Judas,_1880